Interview Geert ter Horst
In 2008 promoveerde dr. Geert ter Horst aan de Radboud Universiteit Nijmegen op een proefschrift getiteld: De ontbinding van de substantie. Een deconstructie van de beginselen van vorm en materie in de ontologie en de kenleer van Thomas van Aquino. In dit proefschrift haalt hij op diverse plaatsen Dooyeweerd aan. Benieuwd naar de reden van deze keuze hielden wij een interview met de heer Ter Horst.
Hoofdonderwerp in uw proefschrift is de spanning tussen de kentheorie en substantieleer van filosoof Thomas van Aquino. Was er een speciale reden waarom u voor dit onderwerp koos?
Thomas is niet zozeer een filosoof alswel een theoloog met sterke filosofische preoccupaties. In mijn jeugd werd ik sterk aangetrokken door Thomas’ wijze van theologie beoefening, maar tijdens mijn filosofie studie raakte ik tevens gefascineerd door Kant, en ik ben afgestudeerd op een vergelijking tussen Kant en Levinas. In verband daarmee ging mijn interesse steeds meer uit naar het vraagstuk van de mogelijkheden en de grenzen van de metafysica. Toen ik, veel later, in de gelegenheid werd gesteld tot het doen van promotie onderzoek, meende ik niet beter te kunnen doen dan mijn Thomas-studie weer op te nemen, om zo dit vraagstuk te verkennen aan de hand van een van de grootste metafysici aller tijden. Geleidelijk aan ontdekte ik dat een onderzoek naar de verhouding tussen Thomas’ kenleer en zijn substantietheorie een vruchtbare toegang zou opleveren tot het verder uitdiepen van dit vraagstuk.
Kunt u meer vertellen over de conclusies waar u in uw proefschrift mee komt?
Wat doorbordurend op de slotbeschouwing van mijn proefschrift kan ik zeggen dat ik een aantal antinomieën in Thomas’ denken meen te hebben blootgelegd die zeer nauw verwant zijn aan de antinomieën van Kant. Hoewel ik in de slotbeschouwing geen directe verbanden leg tussen Thomas en Kant, zijn deze duidelijk aanwezig en ik hoop er in een toekomstige publicatie nader op in te gaan. Daarnaast heb ik ontdekt dat Thomas’ kenleer een harde kern bevat die vooralsnog onaangetast blijft door een metafysica-kritiek. Dit biedt stof voor verder onderzoek naar de grenzen van de metafysica-kritiek zelf.
In uw proefschrift haalt u meerdere keren Dooyeweerd aan. In welk kader deed u dit?
Hoewel ik als student van Dooyeweerd had gehoord en uit mijn vroegere thomistische lectuur iets wist van zijn gesprekken met neothomisten zoals Robbers, vond ik hem bij lezing ontoegankelijk en idiosyncratisch. Ik kreeg geen vat op zijn eigenzinnige terminologie en denkwijze en gedeeltelijk is dit nog steeds zo. Maar toen ik vat begon te krijgen op de spanningen in Thomas’ substantiebegrip heb ik toch nog eens Dooyeweerds artikel daarover gelezen, en nu begreep ik er iets van. Dit artikel hielp me ook bij het doorzetten van bepaalde vragen waarvan ik eerst de zinvolheid had betwijfeld. Zodoende werd Dooyeweerd steeds meer tot een hulp voor mij in het kritisch bevragen van Thomas. Dit staat natuurlijk niet los van de kantiaanse inslag van Dooyeweerds denken.
Kunt u vertellen op welke manier, wat van Dooyeweerd u hierbij hielp?
Dit betreft voornamelijk de volgende onderdelen van Dooyeweerds analyse van het substantiebegrip:
1) Dooyeweerds analyse van de aristotelische vorm-materie verhouding; deze analyse leidt tot het inzicht in het eigen statuut van de materie en de potentie in Thomas’ (aristotelische) substantietheorie. De eigen status en zijnswijze van de materie maakt het problematische duidelijk van Thomas’ pogen de zijnseenheid van de substantie in de eenheid van de vorm te funderen.
2) Dooyeweerds modale analyse; deze analyse leidt tot het inzicht in de problematische aard van het begrip ‘substantiële vorm’ zelf. De interne hiërarchische gelaagdheid van de vorm kan niet op rekening gesteld worden van de hoogste laag in de hiërarchie. Toch gebeurt dat in het begrip ‘substantiële vorm’.
3) Dooyeweerds, uit diens modale analyse voortvloeiende, inzicht in de realiteit van de objectsfuncties van de dingen. Reële objectsfuncties leiden tot de gedachte van een wederkerige constitutieve betrekking tussen de menselijke kenfuncties en de door middel van deze kenfuncties gekende dingen en sluiten het op-zich-zijn — en daarmee het substantie-zijn — van de dingen uit.
4) Dooyeweerds analyse van tijd en beweging; deze analyse leidt tot het inzicht dat de zijnseenheid van de aristotelische substantie niet kan worden losgemaakt van haar relatie tot de menselijke ziel. Juist dit laatste is evenwel onverenigbaar met de kern van het aristotelische substantiebegrip en betekent dus de introductie van een kritiek op dit substantiebegrip.
Ter afsluiting; kunnen we in de toekomst nog een publicatie van u verwachten waarin u gebruik maakt van Dooyeweerd?
Dat acht ik waarschijnlijk. Ik ben sterk geïnteresseerd geraakt in het denken van Dooyeweerd, en het voortzetten van een systematische verkenning van de relaties tussen Dooyeweerds filosofie en het denken van Thomas van Aquino lijkt mij uiterst vruchtbaar. Met name heb ik veel verwachtingen van een bestudering van Thomas en Dooyeweerd onder het opzicht van de problematiek van de secularisatie van de westerse cultuur. Volgens Dooyeweerd is Thomas — wegens het door Thomas klassiek geworden onderscheid van natuur en genade — in belangrijke mate een secularizerend denker. Volgens mij is Dooyeweerd echter in niet mindere mate een secularizerend denker, ondanks zijn grootse poging de secularisatie te boven te komen. Op deze thematiek zou ik mij graag willen richten in een volgende publicatie.
Naar nieuwsoverzicht
|