Stichting voor Christelijke Filosofie

Terugblik studieconferentie – 14 januari 2017


De jaarlijkse studieconferentie van zaterdag 14 januari 2017 stond in het teken van de godsbewijzen, een onderwerp dat gezien de grote opkomst op veel belangstelling kon rekenen. Ditmaal waren er, in vergelijking met voorgaande jaren, opvallend veel vrouwen en jongeren onder de deelnemers. Samen met de inhoud van de conferentie maakt deze opkomst dat we terugkijken op een zeer geslaagde conferentie. Een mooie opsteker voor de nieuwe directeur Sander Luitwieler en zijn team van medewerkers. Zie ook het artikel in het Reformatorisch Dagblad: Studiedag christelijke filosofie

 

 

      

De hoofdlezing ‘De God van de filosofen’ werd gegeven door dr. ir. Jeroen de Ridder, naar aanleiding van het boek En dus bestaat God, dat hij schreef met dr. ir. Emanuel Rutten. In de lezing verdedigde hij het bredere project waarbinnen dit boek verscheen, namelijk een poging om via de analytisch-filosofische methode argumenten te geven voor het bestaan van God. Hij pleitte voor een plek voor deze methode binnen het bredere keuzemenu van manieren om zinvol over God en zijn bestaan te spreken. Kenmerkend voor deze methode is, zoals de naam al zegt, de conceptuele analyse, precisie, logica en het vermijden van metaforen en beeldspraak. Daarbij kent deze methode haar grenzen en zijn haar ambities beperkt, aldus De Ridder. De argumenten geven immers geen dwingende bewijzen en claimen geen harde afleidingen. Bovendien zijn er meerdere manieren om zinvol over God te spreken en hoeft deze stijl niet ieders smaak te zijn. De slotvraag van De Ridder was wat er op tegen kon zijn om ook op deze wijze een bijdrage te leveren aan de beantwoording van de Godsvraag en daarmee verder te gaan in het spoor van denkers als Anselmus en Thomas van Aquino.

 

In het co-referaat, gehouden door prof. dr. Marcel Sarot, die eerder al een kritische recensie aan het boek had gewijd (Radix, 2016, no. 1), gaf Sarot aan het nut van de filosofie niet te ontkennen, ook niet in relatie tot de Godsvraag. Toch had hij ernstige bezwaren tegen deze vorm van filosoferen, omdat deze haar uitgangspunten vindt in het neoscholastieke funderingsdenken, een manier van denken die juist een radicale breuk vormt met hoe er in de kerkgeschiedenis werd omgegaan met godsbewijzen en bovendien een denken dat de afgelopen decennia  problematisch is gebleken. Sarot verweet het de auteurs dat zij menen bij de katholieken op dezelfde boot te stappen, terwijl die boot niet heeft stilgelegen, maar is doorgevaren en de neoscholastiek achter zich heeft gelaten.
Inhoudelijk spitste de kritiek van Sarot zich toe op twee aspecten, namelijk de analytische methode (en haar basis in het funderingsdenken) en de wijze waarop we over Gods bestaan kunnen spreken. Volgens Sarot is ons spreken, bij uitstek als het gaat om God, altijd metaforisch. Het bestaan van God is een ander soort bestaan dan dat wij als mensen kennen binnen onze verstaanshorizon van tijd en ruimte. Spreken we toch op deze wetenschappelijke wijze over het bestaan van God, dan rekken we ons begrip van bestaan op, buiten de grenzen van onze mogelijkheden.
Bij religie werkt de analytische methode niet, volgens Sarot. In dit kader haalde hij zijn leermeester Brummer aan, die al stelde dat geloven meer vergelijkbaar is met een liefdesrelatie. Je weet dat de liefde er is, het is zelfs zeer bepalend voor je leven, maar je kunt deze nergens empiristisch vastleggen. Sarot waarschuwde ervoor het verlichtingsframe van de analytische filosofie te accepteren, omdat je dan (hoe sympathiek het ook lijkt) meegaat in het taalspel van mensen als Dawkins en Philipse, terwijl dat taalspel niet deugt. ‘Zo moet je niet over geloof willen spreken,’ aldus Sarot. Is het dan volstrekt zinloos om over God te argumenteren? Het is wel zinvol, stelde Sarot, maar de onderneming is nooit los verkrijgbaar van godsbeelden. Het christelijk geloof mag verdedigd worden, maar je mag er daarmee geen karikatuur van maken, zoals de analytische filosofie dat doet.

In de levendige discussie die volgde, mede op basis van vragen uit de zaal, spitste het gesprek zich toe op de definitie van het woord ‘bestaan’, de (on)mogelijkheid om neutraal te argumenteren zonder samenhang met godsleer en -beelden en op de (on)vermijdelijkheid van metaforisch spreken.

 

Na de lunch volgden twee workshoprondes, waarbij de deelnemers de keus hadden tussen de volgende workshops:

  • Utopiedenken in de techniek (prof. dr. Marc de Vries).
  • Een christelijk perspectief op veiligheid (dr. Ronald van Steden)
  • Wat betekent het om te rusten? (Robert van Putten MSc MA)
  • Christelijk management (dr. Tom van den Belt)
  • Valse en ware transcendentie (prof. (em.) dr. Sander Griffioen)
  • De EU in de wereld: publieke gerechtigheid in internationaal perspectief (Trineke Palm MSc)
  • Concessie en confessie: Over compromissen en christelijke ethiek (dr. Patrick Overeem)
  • Duurzame veehouderij in de praktijk (Corné Rademaker MSc MA)

*

 

 

 

Laat een bericht achter:

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

* *