Op donderdag 4 april was het tweede introductiecollege in de christelijke filosofie voor de Evangelische Hogeschool Amersfoort. Ditmaal sprak Marc de Vries, bijzonder hoogleraar in de christelijke filosofie aan de Technische Universiteit Delft en Eerste Kamerlid van de SGP.

Wederom betrof dit college een vrij algemene introductie in de christelijke filosofie, maar nog net weer vanuit een andere invalshoek dan het college van Steenvoorde, en wegens de technische achtergrond van de Vries, onderbouwd met technische voorbeelden. De eerste helft van het college was een algemene schets van de christelijke filosofie en de tweede helft van het college betrof een introductie van Dooyeweerds wetsidee, en een uitleg van zijn aspectenleer en de toepassing van deze leer aan de hand van een voorbeeld, namelijk de stirlingmotor.

De eerste helft van het college begon met de vraag: waarom christelijke filosofie? De Vries stelde dat het beoefenen van filosofie christenen kan helpen om het gesprek aan te gaan. Dit kan volgens de Vries op twee wijzen, namelijk op een verdedigende wijze, door het geloof te verdedigen tegen conflicterende visies, bijvoorbeeld in het geval van discussie met een kritische atheïstische mede-student, of door te laten zien waarom het geloof waardevol is, door bijvoorbeeld te laten zien wat voor rol geloven speelt in jouw visie op het leven. Zo merkt de Vries op dat geloven niet tegen het verstand in gaat en dat geloven gepaard gaat met bepaalde filosofische visie op de werkelijkheid. Denk bijvoorbeeld aan hoe de werkelijkheid volgens christenen niet volledig onderhavig is aan het toeval.

Vervolgens introduceerde de Vries een bepaalde notie over filosofie, namelijk dat filosoferen ‘het leren verwonderen over de werkelijkheid als Gods werk’ betreft. De filosofie is in een dergelijk grondbeginsel niet uniek, volgens de Vries begint alle wetenschap namelijk met verwondering. Waar de filosofie wel uniek in is, is haar systematische wijze van doordenken van het geloof. Zoals Anselmus al opmerkte ‘Fides quaeret intellectum’ ofwel, geloof zoekt verstand/inzicht en filosofie biedt ons een wijze om een dergelijke behoefte te verzadigen.

Toch zijn sommige mensen wel sceptisch over de kwestie of christenen wel geschikt zijn voor de wetenschap, en dan in het bijzonder de filosofie. Zo wordt wel eens gesteld dat christenen niet neutraal naar nieuwe bevindingen in de wetenschap kunnen kijken of dat ze open staan voor redeneringen die niet in overeenstemming zijn met hun geloofsovertuigingen. De Vries weerlegt dergelijke concepties aan de hand van Dooyeweerds claim dat er niet zoiets bestaat als neutrale filosofie. Welke overtuiging je ook hebt, een overtuiging is altijd onderhavig aan bepaalde gekleurde uitgangspunten. Zo is de materialistische wereldvisie die vele wetenschappers aanhouden ook niet neutraal, maar het gevolg van bepaalde uitgangspunten op de werkelijkheid. Denk bijvoorbeeld aan wiskundigen die de voorkeur geven aan de meest eenvoudige formulering van een formule. Waarom is eenvoud belangrijk? Je kan dit niet onderbouwen zonder de voorkeur aan een bepaald a-neutraal vertrekpunt te geven.

Wat zijn dan belangrijke vertrekpunten voor christelijke filosofen? De Vries geeft er drie: 1. Er zit zin in de werkelijkheid en wij mogen die er uit laten opbloeien door middel van zelfontplooiing; 2. De werkelijkheid is van zichzelf rijk en verscheiden en dit kun je bijvoorbeeld terugvinden in de verschillende aspecten van de werkelijkheid die Dooyeweerd bespreekt; 3. De werkelijkheid vertoont regelmaat en dit komt niet door een bepaalde zienswijze, maar doordat er daadwerkelijk orde in de werkelijkheid zit, het is een zijnswijze van de werkelijkheid.

Dergelijke vertrekpunten zijn in botsing met een strikt materialistische wereldvisie waar alleen rekening wordt gehouden met natuurlijke gegevens en er dus sprake is van een enorme reductie van fenomenen tot gegevens. In de filosofie staat een dergelijke visie ook wel bekend als het naturalisme. Je zou dus kunnen stellen dat het christendom in strijd is met het naturalisme, maar enige nuancering is ook wel belangrijk, omdat in de praktijk christenen en naturalisten vaak wel op soortgelijke conclusies uitkomen in het beoefenen van de wetenschappen.

Tot zover de eerste helft van het college. De tweede helft betrof een uitleg van Dooyeweerds wetsidee. De Vries had er het volgende over te vertellen. Zijn uitleg begon met een definitie van het begrip ‘wetsidee’, dat in meer gangbare taal te vertalen is naar het woord ‘wereldbeeld’. Een dergelijk wetsidee beantwoordt vragen naar de oorsprong, de eenheid en de verscheidenheid van de werkelijkheid. Vervolgens ging De Vries kort in op Dooyeweerds notie van transcendentale kritiek, die stelt dat voor een goede wijsgerige discussie in de eerste plaats een verheldering van de grondbegrippen vereist is, anders zal deze geheid vertroebelen. Daarnaast dient een goede filosofische discussie ook de strikt praktische vragen te overstijgen en door te dringen tot de daadwerkelijk belangrijke kwesties. De Vries gaf de vraag: ‘kan een robot een mens vervangen?’ als voorbeeld. Hier dient men niet in te gaan op de praktische zaken, zoals het potentiële rekenvermogen van een robot, maar op de grondbeginselen die een robot en een mens (momenteel) onderscheiden, zoals een wil, het vermogen om te reflecteren, etc..

Na de uitleg over de transcendentale kritiek volgde een uitleg over Dooyweerds aspectenleer. De uitleg begon met de term ‘soevereiniteit in eigen kring’ afkomstig van Abraham Kuyper, die betekent dat voor elk aspect van de werkelijkheid eigen wetten gelden. Niet ieder aspect is even relevant voor ieder fenomeen, maar ieder fenomeen heeft wel zijn eigen kernaspecten. De Vries gaf als voorbeeld dat als zodanig bij een school het leren van nieuwe dingen aan studenten het belangrijkst is, terwijl de esthetische voldoening die de school geeft minder relevant is. Als algemene regel geldt dan dat datgene waarop je bestaansrecht als organisatie berust het belangrijkste is. Vervolgens benoemde De Vries de vijftien aspecten van Dooyeweerds aspectenleer en stelde dat ieder ding alle aspecten bevat (die niet tot elkaar te reduceren zijn) en dat bij ieder van deze aspecten morele vragen gesteld kunnen worden. Om de aspectenleer te illustreren gebruikte De Vries het voorbeeld van de veelbelovende, maar uiteindelijk onrendabele stirlingmotor, en ging vervolgens ieder van de vijftien aspecten bij langs. Zijn conclusie was dat om een succesvol product te creëren, men rekening moet houden met de aspecten. In tegenstelling tot een dergelijke holistische visie was men bij technische producten vroeger veelal slechts gefocust op het technisch functioneren van een product, en dit soort denken heeft volgens de Vries vele gefaalde projecten, zoals de stirlingmotor teweeg gebracht.

Tot slot legde de Vries nog kort iets uit over het onderscheid tussen de wetszijde, die wetmatigheden betreft, en de entiteitenzijde, die functies betreft, van Dooyeweerds filosofische leer. Helaas was toen de tijd ook al zo goed als om.

Recente artikelen

Summer School ‘Hoop’ met Stichting Thomas More

Na decennia van groei, optimisme en vooruitgangsdenken, wordt de huidige tijd getekend door zorg en angst voor de toekomst. Kunnen we nog hopen? Niet voor niets heeft de Rooms-katholieke Kerk…

Do 16 mei 24  | Leestijd: 1 min

Technology and Christianity: Essays on the Interface door Egbert Schuurman

Onlangs is er een bundel Essays verschenen van Egbert Schuurman over technologie en christendom. Hieronder vindt u de Engelse kafttekst. “The Enlightenment of the 18th century ushered in a new…

Ma 13 mei 24  | Leestijd: 1 min