Stichting voor Christelijke Filosofie

Nieuws

Verslag workshop ‘Is er meer tussen werken en uitrusten’ op 5 april 2017

(door Ries Haverkamp)

 

In het kader van de Maand van de Filosofie organiseerde de Stichting voor Christelijke Filosofie samen met Veritas Forum op 5 april de workshop ‘Is er meer tussen werken en uitrusten’. De avond stond onder leiding van filosoof Robert van Putten en vond plaats in de sociëteit van de N.S.U. De opkomst was groot en divers; naast studenten waren er ook een aantal geïnteresseerde werkenden. Vanuit een christelijk (filosofisch) perspectief werden er op interactieve wijze antwoorden gezocht op twee hoofdvragen: waarom moeten we (nadenken over) rusten? En wat ís goed rusten eigenlijk?

 

Vermoeide samenleving

Op de vraag waarom je zou moeten rusten, kwamen vooral ‘positieve’ reacties uit het publiek: o.a. ‘het is lekker en prettig’, ‘het helpt je om zelf de baas te blijven, niet geleefd te worden’, ‘het helpt om dingen te verwerken’ en ‘het draagt bij aan het in perspectief plaatsen van dingen’. Toegelicht met voorbeelden uit eigen ervaring voegde Van Putten hier een andere invalshoek aan toe: het gaat niet goed met ons. We leven in een vermoeide, stressvolle en hyperactieve prestatiemaatschappij zonder remmen, waarin inmiddels 1:7 volwassenen te maken krijgt met een burn-out. Er staat iets op het spel, dáárom moeten we erover nadenken. Van Putten koppelde dit aan de Bijbelse notie van rentmeesterschap; het goed beheren en onderhouden van Gods schepping kun je ook betrekken op jezelf. En daar is rust voor nodig.

 

Oorzaken

Maar hoe komen we zo vermoeid? De prestatiemaatschappij werd plenair verkend aan de hand van de documentaire ‘De BV IK’ (VPRO, 2010) over ‘opgejaagde’ jongeren met veel ambitie en prestatiedruk die ongegeneerd carrière maken als belangrijkste doel lijken te hebben. Aansluitend reflecteerde Van Putten op de vraag hoe het zover heeft kunnen komen. Ten eerste typeert Van Putten het maatschappelijk systeem dat in de loop van de tijd is ontstaan als een prestatiemaatschappij, waarin men ‘loon naar werken’ krijgt en maatschappelijke status en identiteit worden verkregen op basis van prestaties. De druk om steeds beter te presteren in een dergelijke samenleving is groot. Bovendien is de maatschappij niet alleen gericht op prestaties, maar ook ‘interactief’: we willen actief betrokken zijn bij alles wat om ons heen gebeurt. Verder merkt Van Putten op dat er een omkering in waarden heeft plaatsgevonden. In de klassieke oudheid en het middeleeuwse christendom was rust de basis van de cultuur en het ‘contemplatieve leven’ het hoogste doel (‘vita contemplativa’). In de huidige tijd is deze rust verdrongen en is arbeid het hoogste doel geworden (‘vita activa’).

 

Goed rusten

Ook de vraag ‘wat is rust eigenlijk?’ leverde uiteenlopende reacties uit de zaal op: o.a. ‘mentale ontspanning’, ‘loskomen van verplichtingen’, ‘stom werk doen waar je niet bij na hoeft te denken’ en ‘aanpassing van het tempo voor meer bewuste aandacht’. Inmiddels lijkt de wal het schip te keren. Er komt steeds meer aandacht voor rust in de samenleving. Maar na

Is dit goede rust?

Is er meer tussen werken en uitrusten?

drie weken vakantie weer uitgerust en opgeladen aan het werk gaan – is dat rust? Van Putten stelt dat er over het algemeen erg oppervlakkig en instrumenteel over rust wordt gedacht. Rust wordt veelal gezien als een noodzakelijke tool om uit te rusten om verv

olgens weer door te kunnen gaan met ‘zelfontplooiing’. Maar is rusten niet veel meer dan uitrusten? Heeft het geen intrinsieke waarde? Voor deze vragen ging Van Putten (o.a.)  te rade bij de katholieke filosoof Joseph Pieper (1904-1997).

 

Christelijk perspectief

Pieper signaleerde de genoemde prestatiemaatschappij, waarin menselijkheid wordt gereduceerd tot productiviteit. Volgens Pieper verdringt het verlies van rust een dimensie van ons mens-zijn die fundamenteel is voor ons bestaan. Niet alleen om op adem te komen, maar ook intrinsiek: een innerlijke levenshouding en mentaliteit. Voor Pieper heeft rust te maken met het omarmen van het leven, met feestelijkheid, het vieren van het leven, waarbij jezelf ‘opladen’ geen doel op zich is, maar hooguit een bijeffect. Van Putten vervolgde dat als we dit willen leren we moeten kijken naar de (christelijke) religie, omdat rust en religie intrinsiek met elkaar zijn verbonden. De christelijke gemeente bijvoorbeeld, begint de week met het vieren van de opstandingsdag van Christus. Daarmee is de zondag niet primair een fysiek oplaadmoment, maar een gelegenheid om intrinsiek rust en vrijheid te vieren, in dienst aan God. Van Putten besloot dat het vinden van rust (op deze manier) niet maakbaar is en niet vanzelf gaat. Het vergt discipline en levenskunst, waarbij de ontkoppeling van identiteit en prestatie de sleutel is.

 

Onder het genot van een biertje werd na afloop informeel met elkaar doorgepraat. Het was een inspirerende avond, onder leiding van een enthousiaste spreker met kennis van zaken.


De jaarlijkse studieconferentie van zaterdag 14 januari 2017 stond in het teken van de godsbewijzen, een onderwerp dat gezien de grote opkomst op veel belangstelling kon rekenen. Ditmaal waren er, in vergelijking met voorgaande jaren, opvallend veel vrouwen en jongeren onder de deelnemers. Samen met de inhoud van de conferentie maakt deze opkomst dat we terugkijken op een zeer geslaagde conferentie. Een mooie opsteker voor de nieuwe directeur Sander Luitwieler en zijn team van medewerkers. Zie ook het artikel in het Reformatorisch Dagblad: Studiedag christelijke filosofie

 

 

      

De hoofdlezing ‘De God van de filosofen’ werd gegeven door dr. ir. Jeroen de Ridder, naar aanleiding van het boek En dus bestaat God, dat hij schreef met dr. ir. Emanuel Rutten. In de lezing verdedigde hij het bredere project waarbinnen dit boek verscheen, namelijk een poging om via de analytisch-filosofische methode argumenten te geven voor het bestaan van God. Hij pleitte voor een plek voor deze methode binnen het bredere keuzemenu van manieren om zinvol over God en zijn bestaan te spreken. Kenmerkend voor deze methode is, zoals de naam al zegt, de conceptuele analyse, precisie, logica en het vermijden van metaforen en beeldspraak. Daarbij kent deze methode haar grenzen en zijn haar ambities beperkt, aldus De Ridder. De argumenten geven immers geen dwingende bewijzen en claimen geen harde afleidingen. Bovendien zijn er meerdere manieren om zinvol over God te spreken en hoeft deze stijl niet ieders smaak te zijn. De slotvraag van De Ridder was wat er op tegen kon zijn om ook op deze wijze een bijdrage te leveren aan de beantwoording van de Godsvraag en daarmee verder te gaan in het spoor van denkers als Anselmus en Thomas van Aquino.

 

In het co-referaat, gehouden door prof. dr. Marcel Sarot, die eerder al een kritische recensie aan het boek had gewijd (Radix, 2016, no. 1), gaf Sarot aan het nut van de filosofie niet te ontkennen, ook niet in relatie tot de Godsvraag. Toch had hij ernstige bezwaren tegen deze vorm van filosoferen, omdat deze haar uitgangspunten vindt in het neoscholastieke funderingsdenken, een manier van denken die juist een radicale breuk vormt met hoe er in de kerkgeschiedenis werd omgegaan met godsbewijzen en bovendien een denken dat de afgelopen decennia  problematisch is gebleken. Sarot verweet het de auteurs dat zij menen bij de katholieken op dezelfde boot te stappen, terwijl die boot niet heeft stilgelegen, maar is doorgevaren en de neoscholastiek achter zich heeft gelaten.
Inhoudelijk spitste de kritiek van Sarot zich toe op twee aspecten, namelijk de analytische methode (en haar basis in het funderingsdenken) en de wijze waarop we over Gods bestaan kunnen spreken. Volgens Sarot is ons spreken, bij uitstek als het gaat om God, altijd metaforisch. Het bestaan van God is een ander soort bestaan dan dat wij als mensen kennen binnen onze verstaanshorizon van tijd en ruimte. Spreken we toch op deze wetenschappelijke wijze over het bestaan van God, dan rekken we ons begrip van bestaan op, buiten de grenzen van onze mogelijkheden.
Bij religie werkt de analytische methode niet, volgens Sarot. In dit kader haalde hij zijn leermeester Brummer aan, die al stelde dat geloven meer vergelijkbaar is met een liefdesrelatie. Je weet dat de liefde er is, het is zelfs zeer bepalend voor je leven, maar je kunt deze nergens empiristisch vastleggen. Sarot waarschuwde ervoor het verlichtingsframe van de analytische filosofie te accepteren, omdat je dan (hoe sympathiek het ook lijkt) meegaat in het taalspel van mensen als Dawkins en Philipse, terwijl dat taalspel niet deugt. ‘Zo moet je niet over geloof willen spreken,’ aldus Sarot. Is het dan volstrekt zinloos om over God te argumenteren? Het is wel zinvol, stelde Sarot, maar de onderneming is nooit los verkrijgbaar van godsbeelden. Het christelijk geloof mag verdedigd worden, maar je mag er daarmee geen karikatuur van maken, zoals de analytische filosofie dat doet.

In de levendige discussie die volgde, mede op basis van vragen uit de zaal, spitste het gesprek zich toe op de definitie van het woord ‘bestaan’, de (on)mogelijkheid om neutraal te argumenteren zonder samenhang met godsleer en -beelden en op de (on)vermijdelijkheid van metaforisch spreken.

 

Na de lunch volgden twee workshoprondes, waarbij de deelnemers de keus hadden tussen de volgende workshops:

  • Utopiedenken in de techniek (prof. dr. Marc de Vries).
  • Een christelijk perspectief op veiligheid (dr. Ronald van Steden)
  • Wat betekent het om te rusten? (Robert van Putten MSc MA)
  • Christelijk management (dr. Tom van den Belt)
  • Valse en ware transcendentie (prof. (em.) dr. Sander Griffioen)
  • De EU in de wereld: publieke gerechtigheid in internationaal perspectief (Trineke Palm MSc)
  • Concessie en confessie: Over compromissen en christelijke ethiek (dr. Patrick Overeem)
  • Duurzame veehouderij in de praktijk (Corné Rademaker MSc MA)

*

 

 

 

Filosoof dr. ir. Jeroen de Ridder (1978) is benoemd tot lid van De Jonge Akademie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

 

Foto genomen door Daan van der Horst

Jeroen de Ridder, die hoofdspreker zal zijn op onze studieconferentie op 14 januari 2017, is universitair docent filosofie en senior onderzoeker bij het Abraham Kuyper Centrum aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij is gespecialiseerd in de kennisleer (epistemologie), wetenschapsfilosofie en godsdienstfilosofie. Samen met dr. ir. Emanuel Rutten schreef hij En dus bestaat God. De beste argumenten (2015).

*

Momenteel doet Jeroen de Ridder met een Vidi-beurs van het NWO onderzoek naar hoe goed liberale democratieën zijn in het genereren en gebruiken van kennis. Verder leidt hij met prof. dr. René van Woudenberg en dr. Rik Peels een project over de epistemische verantwoordelijkheden van de universiteit. Een belangrijke vraag hierbij is hoe naast individuen ook groepen mensen intellectuele deugden kunnen hebben. Eerder werkte Jeroen de Ridder aan een project over de verabsolutering van wetenschappelijke kennis (‘sciëntisme’).

Geloven in God zonder bewijs.
De betekenis van Alvin Plantinga voor filosofie, theologie en kerk

Studiemiddag n.a.v. de publicatie van Alvin Plantinga’s “Kennis en Geloof” (Brevier 2016)
Alvin Plantinga

Alvin Plantinga. Een beroemde 83-jarige Amerikaanse filosoof met Friese wortels. Een apologeet die graag de dialoog met overtuigde atheïsten aangaat. Zijn altijd scherpzinnige gedachten over het bestaan van God, het probleem van het kwaad, de (on)redelijkheid van het geloof, schepping&evolutie, geloof&wetenschap en het atheïsme zijn zeer invloedrijk en worden door voor- en tegenstanders diep gerespecteerd.

Sprekers waren: drs. Bas Hengstmengel, dr. Guus Labooy, prof. dr. Alvin Plantinga (video-interview), dr. Jeroen de Ridder, drs. Cees-Jan Smits, dr. Dolf te Velde, dr. Piet de Vries en prof. dr. René van Woudenberg (interviewer).

P1120858_web

Bekende atheïsten zoals Herman Philipse moesten toegeven dat zij niet op konden tegen de argumenten van de Amerikaanse filosoof Alvin Plantinga. Plantinga voorzag de apologetiek –de verdediging van het geloof– van nieuwe inzichten. Hij gaf haar een nieuwe impuls.

Dat zei P. Rouwendal vrijdagmiddag op de studiedag in Kampen gewijd aan Plantinga’s boek ”Kennis en Geloof” (uitg. Brevier, Kampen). Zie het gehele RD-artikel

plantinga

Het christelijk geloof is redelijk te verantwoorden. Mensen hebben een ingeschapen Godsbesef dat door de Heilige Geest geactiveerd wordt. „Geloof is kennis, maar wel kennis van een speciale soort.”

De Amerikaanse christen-filosoof Alvin Plantinga (83) betoogt dat in zijn boek ”Kennis en geloof” (uitgeverij Brevier, Kampen), dat vrijdag het onderwerp is van een studiedag. (Lees het gehele RD-artikel)

 

Govert Buijs (‘Chairman’ van de conferentie ‘Christianity and the Future of Our Societies’) geciteerd:

*

Onze conferentie is al meer dan drie weken achter ons. De tijd gaat snel, maar als ik voor mezelf mag spreken, de herinneringen aan deze gebeurtenis nog vers. De reden van deze versheid is de indrukwekkende conferentie die we hadden, en waaraan jullie in belangrijke mate hebben bijgedragen.
Zoals ik al zei aan het einde, zowel de eenheid van geest en doel als de diversiteit van contexten en benaderingen waren inspirerend en verhelderend (en soms verontrustend als we ons realiseren dat de vrijheden en mogelijkheden die vanzelfsprekend in het ene land zijn zeer problematisch kan zijn andere en vice versa).
[Einde citaat]
*

Er is nu een en ander aan foto-materiaal gepubliceerd op deze website.

4216kopie_400x600

Govert Buijs (chairman)

 

 

Kerk moet haar oogkleppen afdoen

Waarom krijg je in Europa sportjournalisten met geen stok in kerkdiensten, en komen ze in Zuid-Afrika verbluft en enthousiast naar buiten?
ND OPINIE – beeld ap / anp / Robin Utrecht  – 29 augustus 2016, 03:00
*

Waarom krijg je in Europa sportjournalisten
met geen stok in kerkdiensten,
en komen ze in Zuid-Afrika verbluft en enthousiast naar buiten?

Het ANC heeft de verkiezingen in Zuid-Afrika verloren, terwijl haar leider, president Zuma, zich in diverse pinksterkerken heeft laten zegenen en daar profetieën ontving die hem een glorieuze overwinning voorspelden. Hoe moeten kerken zich tot de politiek verhouden?

Lees het complete ND-artikel

In het Belgische Leuven heeft deze week (week van 15-08 2016) een internationale vijfdaagse conferentie van theologen en filosofen plaats, georganiseerd door de Stichting voor Christelijke Filosofie en de Evangelische Theologische Faculteit (ETF) in Leuven. De deelnemers, die voor het grootste deel werkzaam zijn aan universiteiten en hogescholen, denken na over ”Het christendom en de toekomst van onze samenlevingen.” Ze zijn afkomstig uit 21 landen.

*

Riné le Comte van het Reformatorisch Dagblad deed verslag.
Foto’s van Marjoleine Klarenbeek-van Bussel.

*

Kerk-zijn in een sterk veranderende samenleving

_MG_4834_web
19-08-2016 Moment tijdens de conferentie in Leuven. 
Na een gemeenschappelijke ochtendwijding met gebed, Bijbellezing en gezang, werd de hoofdlezing gisteren verzorgd door prof. dr. Veli-Matti Kärkkäinen uit Finland. Thema was ”Kerk en Samenleving”. Hij ging in op een aantal belangrijke vragen. Hoe kan de christelijke kerk haar positie bepalen in een samenleving die grote veranderingen doormaakt in sociale structuren en religieuze opvattingen? Wat moeten de identiteit en de rol van de kerk zijn in een postmoderne wereld waarin zowel secularisme (het verdringen van religie uit het publieke domein) als pluralisme (het onderkennen van een veelheid van naast elkaar staande levensovertuigingen) hun invloed uitoefenen? Wat is de aard van haar toewijding aan de waarheid van Gods getuigenis?

 

Lees het complete RD-artikel

 

Govert Buijs tijdens CFS2016: Vanuit mijn geloof ben ik betrokken op de samenleving

_MG_4259
18-08-2016 Moment tijdens de CFS2016 in Leuven. Rechts prof. dr. Govert J. Buijs. 

(…) Binnen de traditie van de reformatorische wijsbegeerte, waarvan de Stichting voor Christelijke Filosofie drager is, is het altijd belangrijk gevonden om filosofie te verbinden met de praktijk, geeft prof. Buijs aan. „Wat is goede politiekbeoefening? Wat is goed verantwoord ondernemerschap? En hoe helpt het christelijk geloof om daarop een visie te ontwikkelen? Door discussies proberen filosofen en theologen beter zicht te krijgen op bijvoorbeeld de problematiek van het welvaartsevangelie. Hoe moeten christenen hiermee omgaan? Wat zijn de Bijbelse noties rond welvaart en zegening?”

 

Lees het complete RD-artikel…

Conferentie in Leuven: Hebzucht rijken leidt tot oordeel en wraak

2016-08-17-KRK2-leuven-4-FC_web
17-08-2016 In het Belgische Leuven heeft deze week de vijfjaarlijkse conferentie voor theologen en filosofen plaats. 

„Christelijke wetenschappers mogen een geheel eigen kijk hebben op klimaatproblemen en andere grote veranderingen op aarde in vergelijking met hun seculiere collega’s”, vindt prof. dr. Michael S. Northcott…

 

Lees het complete RD-artikel…

“Christenen moeten niet toeteren”

Govert BuijsGELOOF

Govert Buijs | beeld Aart Deddens

Leuven was de afgelopen week een ontmoetingsplaats voor 150 christen-filosofen, theologen en andere wetenschappers vanuit alle continenten. Wat is de rol van christenen in nieuwe vormen van samenleven die zich over de hele wereld ontwikkelen? Deze vraag stond centraal op het congres dat door de Stichting voor Christelijke Filosofie samen met de Evangelische Theologische Faculteit Leuven was georganiseerd. Een gesprek met congresvoorzitter prof.dr. Govert Buijs.

Waarom deze conferentie?

‘In Nederland zijn we ons er niet zo van bewust, maar in een paar decennia tijd is het christendom van een westerse religie een niet-westerse religie geworden. In het Westen heeft het christendom de eeuwen door een grote invloed gehad op de samenleving. In de komende jaren zullen in veel niet-westerse samenlevingen christenen op posities terechtkomen waar zij echt invloed kunnen hebben, in de politiek, in de economie, in het onderwijs. Wat gaan ze dan doen? Deze conferentie wil een dialoog op gang brengen tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ christenen over hoe je als christen present kunt zijn in de samenleving.’

Christenen vertellen elkaar tijdens de conferentie waarmee ze bezig zijn, stellen zich open voor kritiek, geven elkaar advies. Is er ook een doel op collectief niveau?

‘Christenen gaan soms heel kritiekloos mee met allerlei ontwikkelingen in de samenleving of trekken zich helemaal uit de samenleving terug in eigen kring, of zelfs beide tegelijk. Binnen de beweging voor christelijke filosofie, die in Nederland ontstaan is rond het werk van Dooyeweerd en Vollenhoven, gaat het om kritisch meedoen. Niet aan de kant blijven, maar creatief nieuwe wegen zoeken. Ook binnen de theologie komt de laatste jaren iets vergelijkbaars op, wat vaak ‘‘publieke theologie’’ genoemd wordt. Met elkaar bespreken we wat die houding betekent voor uitdagingen van onze samenleving nu. We zijn geen actiegroep, maar streven er wel naar dat christenen actief meedoen. Dat kan in Nederland iets heel anders betekenen dan in Brazilië, Zuid-Afrika of Zuid-Korea.’

Om welke uitdagingen gaat het dan?

‘Heel kort gezegd: hoe leven we met de aarde? Hoe leven we met elkaar als mensen met heel verschillende religieuze en culturele identiteiten? Want het probleem van de multiculturele samenleving speelt vrijwel overal in de wereld. En als derde: hoe bouwen we een rechtvaardige en humane economie? Denk aan de enorme impact van de financiële crisis. Deze uitdagingen spelen overal, maar vaak op heel verschillende manieren.

Vanuit Zuidelijke landen worden vaak nog twee uitdagingen toegevoegd die in Noordelijke landen wel – ten onrechte, denk ik – als vanzelfsprekend gezien worden: de kwaliteit van de rechtsstaat en de kwaliteit van gezin en familie. De rechtsstaat is belangrijk omdat corruptie in veel landen een immens probleem is, ook onder christenen. De kwaliteit van gezin en familie doen wij in het Noorden vaak een beetje af als ‘burgerlijk’, maar christenen uit het Zuiden leggen er veel nadruk op.

Een laatste uitdaging is erg interessant en schrijnend: terwijl de armoedeproblematiek blijft bestaan in het Zuiden, komt daarnaast de consumptiesamenleving op, met de daarbij horende overvloed.’

telegram aan Habermas

De Duitse filosoof Habermas heeft erkend dat het seculiere humanisme is vastgelopen. Er is een moreel vacuüm ontstaan dat volgens hem alleen door religies gevuld kan worden. Zij kunnen de voor het samenleven noodzakelijke waarden bieden. Stel, jullie sturen een telegram aan Habermas, wat zou daarin staan?

‘Habermas wil inderdaad ruimte maken voor religie in de samenleving. Hij is bang dat vanuit een plat seculier wereldbeeld geen enkele inspiratie uitgaat om de grote uitdagingen aan te pakken. Tegelijk is hij beducht voor religieus fundamentalisme dat geen ruimte wil geven aan andersdenkenden. Vaak hebben we de indruk dat het nieuwe christendom bijvoorbeeld in diverse Afrikaanse landen, bestaat uit dit soort fundamentalisten.

Tijdens de conferentie is me gebleken dat die indruk grotendeels onjuist is. Ook veel nieuwe christenen beseffen heel goed dat ze in plurale samenlevingen leven en ze willen die ook in stand houden. Dat verhindert hen echter niet om stevige standpunten in te nemen. In het telegram aan Habermas zou daarom kunnen staan ‘‘kom en zie!’’.’

Op welke manier kan de door Habermas voorgestelde rol voor religies gaan werken?

‘Christenen moeten uiteraard ook zelf willen bijdragen aan de samenleving en zich niet verstoppen. Dat kan soms in het publieke debat, in de media. Het kan gaan over concrete maatschappelijke betrokkenheid, denk aan de vluchtelingenopvang. De ene keer zal voor die bijdrage veel sympathie zijn, de andere keer word je uitgejouwd. Je moet dus wel een beetje een dikke huid ontwikkelen. Het kan aan alle kanten schuren.

Heel belangrijk is in dit verband goede vorming, goed onderwijs, zodat christenen met goede argumenten komen en niet maar wat toeteren. Een hele interessante ontwikkeling in dit verband is dat in Zuidelijke landen de laatste jaren door christenen veel scholen en universiteiten zijn opgericht. Er vindt inmiddels al een levendige uitwisseling van lesmateriaal plaats tussen Noord en Zuid.

Bijdragen aan de samenleving kan alleen slagen als je ook bereid bent tijd te investeren in onderwijs als voorbereiding daarop – het lijkt erop dat christenen in het Zuiden dat meer en meer beseffen en christenen in het Noorden hoe langer hoe minder.’ <

Maarten J. Verkerk Hoogleraar in beeld

Bijzonder hoogleraar Maarten Verkerk was lid van de adviescommissie ‘Voltooid Leven’ en in deze editie van Aspecten bevraagt Christine Boshuijzen- van Burken hem over zijn bijdrage aan deze maatschappelijk ingewikkelde kwestie.

De commissie ‘Voltooid Leven’ onderzocht in opdracht van het ministerie voor Volksgezondheid, Sport en Welzijn en het ministerie voor Veiligheid en Justitie de juridische mogelijkheden met betrekking tot hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten. De commissie bestond uit zeven hoogleraren en één academisch gevormde deskundige, allen met uiteenlopende achtergronden. Hoe raakt een hoogleraar Christelijke Filosofie bij een dergelijke commissie van wijzen betrokken?

Volgens Verkerk wilde men er een filosoof-ethicus bij hebben én wilde men de breedte van het Nederlandse volk vertegenwoordigd zien. Dit betekende dat ook de christelijke stem gehoord mocht worden. Verkerk: “Waarom men precies mij gekozen heeft weet ik niet. Wel denk ik dat het te maken had met het feit dat ik vanuit Vita Valley een studie gedaan heb naar kwetsbare ouderen en dat een deel van de aanleiding de leerstoel christelijke filosofie is geweest.” Lang hoefde Verkerk er niet over na te denken: “Als je gevraagd wordt, zeg je geen nee. Ik vond het een eer. Als jouw kennis en expertise gevraagd wordt omtrent een complex maatschappelijk vraagstuk dan heb je de morele verantwoordelijkheid om op de vraag van de ministers een positief antwoord te geven.”

De conclusie van het rapport is dat het niet wenselijk is om de juridische kaders voor euthenasie aan te passen. Verkerk legt uit dat de commissie tot deze conclusie is gekomen na een grondige analyse van wat ‘voltooid leven’ is.  Daarnaast heeft de commissie casussen bekeken en gesprekken gevoerd. Het viel haar op dat veel mensen met een ‘voltooid leven’ problematiek ook ernstige somatisch-psychische klachten hadden en vanwege deze klachten al euthanasie zouden kunnen krijgen. Dat was een constatering. Voor deze groep mensen is een wijziging van de euthanasiewet dan ook niet nodig. Daarnaast is er veel discussie geweest over zelfbeschikking als waarde en uitgangspunt. De euthanasiewet is gebaseerd op de waarden van barmhartigheid en bescherming van het leven. Verkerk: “Als de basis van deze wet zelfbeschikking zou worden dan verandert het hele karakter van de wet. Dan zou de arts alleen nog maar het “ja, ik wil dood” moeten controleren en zou er geen sprake meer zijn van bescherming van het leven.” De tweede aanbeveling van de commissie is dat hulp bij zelfdoding in handen moet blijven van de medische beroepsgroep in verband met deskundigheid, veiligheid en toetsbaarheid.

Verkerk heeft gedurende het onderzoek christelijk wijsgerige inzichten voortdurend in zijn achterhoofd gehad en soms ook expliciet gemaakt. Verkerk: “Ik heb bijvoorbeeld gebruik gemaakt van de aspectenleer bij het onderscheiden van existentieel lijden, sociaal lijden en psychologisch en somatisch lijden. Daarnaast was er het betoog dat een belangrijke verantwoordelijkheid van de overheid het beschermen van het leven is. Hier heeft Dooyeweerd een heel eigen theorie over.”

Over de praktische kant van het deelnemen aan de commissie zegt Verkerk het volgende: “Het was wel een aanslag op mijn tijd. Één keer per maand vergaderen en daarbuiten een halve dag lezen en in laatste vier maanden één á twee dagen in de week schrijven en lezen van de teksten.” Over het resultaat zegt Verkerk: “Ik sta 100% achter het rapport. Er zijn natuurlijk dingen die ik wel anders had willen zien,  maar ik kan er met het oog op mijn eigen moraal prima mee uit de voeten en ben blij dat er uiteindelijk best veel aandacht was voor de ethische kant van de kwestie.”

Op de vraag of er tips zijn voor christelijke filosofen wanneer hen gevraagd wordt voor een levensbeschouwelijk uiteenlopende commissie omtrent complex maatschappelijk vraagstukken antwoordt Verkerk: “Zelf ben ik te rade gegaan bij collega’s die in dergelijke commissies hebben gezeten en ik heb hen gevraagd hoe om te gaan met ‘christelijke argumenten’. Ik kreeg maar één advies, wat ik graag doorgeef: “Hou je bijbel dicht.” Probeer je argumenten zó te formuleren dat ze acceptabel zijn voor de andere commissieleden die een andere maatschappelijke achtergrond hebben”. Als voorbeeld noemt hij Thomas van Aquino, die zelfdoding afkeurde op drie gronden. Allereerst omdat het niet goed is voor jezelf, ten tweede omdat het niet goed is voor de maatschappij en ten derde keurde hij zelfdoding af vanuit religieus oogpunt. Volgens Verkerk gebruiken christenen vaak ten onrechte uitsluitend het derde argument. Zelf heeft Verkerk de nadruk gelegd op de eerste twee argumenten, want, zo stelt hij: “Als je belijdt dat de wereld geschapen is door het Woord van God, dan kun je in die geschapen werkelijkheid ook argumenten naar voren brengen zonder dat je hoeft terug te vallen op religieuze argumenten.” Hij vult aan: “Misschien maak je het jezelf als christen daar wel eens te makkelijk mee.” Hierin doelt Verkerk op de neiging die sommige christenen hebben om alles alleen door middel van bijbelcitaten te willen motiveren.

Tot slot meldt Verkerk: “Het was erg leuk om als commissie met zo’n complex onderwerp bezig te zijn vanuit diverse achtergronden en dan tóch tot een eenduidige conclusie te komen. Dat is best uniek.”